De thujamineermot is een Amerikaanse vlindersoort waarvan de rupsen mineren in de bladschubben van de levensboom Thuja. Ze vreten het bladmoes uit de schubben, waardoor de eindscheuten er bleek uitzien. De scheuten kunnen weliswaar afbreken, maar de aantasting is zelden een bedreiging voor de boom.
Thujamineermot (Argyresthia thuiella) komt oorspronkelijk voor in Noord-Amerika en kwam met geïmporteerde planten in Europa terecht. In Nederland werd de eerste aantasting in 1971 vastgesteld. Tegenwoordig komt de soort in bijna geheel Europa voor, overal waar de voedselplanten Thuja en Chamaecyparis zijn aangeplant. Van alle Thuja-soorten heeft het motje voorkeur voor Thuja occidentalis.
De motjes vliegen van mei-juli en worden aangetrokken door het licht. De eitjes worden op de onderzijde van de bladschubben aan het eind van een scheut gelegd. De rupsjes komen in juli uit de eitjes en knagen gaatjes in de bladschubben, waarvan ze het bladmoes wegvreten. Een rupsje kan per dag zo’n vijf bladschubben uithollen. Door het wegvreten van het bladgroen vindt er een ontkleuring van de scheuten plaats. De rupsen bereiken uiteindelijk een lengte van 7 mm, hebben een rood- tot bruingroen lichaam en een glanzende zwarte kop.

