Er is tegenwoordig veel belangstelling voor inheemse bomen, maar over inheemse struiken hoor je in het algemeen wat minder. Toch neemt de vraag ernaar de laatste jaren toe, met name bij gemeenten en kleine terreineigenaren. Maar wat is nou eigenlijk inheems, en wat is het verschil met autochtoon plantmateriaal?
Vooral bij gemeenten, maar ook bij kleine terreineigenaren, is de laatste jaren veel belangstelling voor inheemse struiken. Het gaat dan onder meer om meidoorn, sleedoorn, kornoelje en ook rozensoorten. Volgens Lammert Kragt, senior adviseur Zaad & Plantsoen b.d. bij Staatsbosbeheer, heeft dat vooral te maken met het groeiende belang dat aan biodiversiteit wordt gehecht. Struiken zorgen met hun vruchten en zaden voor voedsel voor insecten en vogels. Ook trends zoals voedselbossen en tiny forests zorgen voor toenemende belangstelling voor inheemse struiken. Bij die laatste trend gaat het zowel om de bloei als de vrucht.
Maar wat verstaan we nou eigenlijk onder inheems en autochtoon? Kragt: „Bomen en planten noemen we inheems wanneer ze zich na de laatste ijstijd spontaan, dus op eigen kracht, in een gebied hebben gevestigd. Daarnaast onderscheiden we autochtoon plantmateriaal. Het gaat dan om oorspronkelijk genetisch plantmateriaal waarvan we, door onderzoek en vanuit de landschapshistorie, met zekerheid kunnen vaststellen dat het al enkele duizenden jaren binnen Nederland en Vlaanderen voorkomt. Het zijn soorten die klimatologisch in een bepaald gebied thuishoren.”

