Sinds 1 maart 2020 geldt in Duitsland de verplichting om in het landschap, de zogeheten vrije natuur, gebiedseigen gewassen aan te planten. De beloofde marktkansen daarvan zijn nooit waargemaakt. Kwekers kregen in plaats daarvan ingewikkelde regels, een keur aan certificeringen en een gebrek aan zaden. Inmiddels hebben Duitse overheden geen uitgesproken voorkeur meer voor gebiedseigen.
Op 1 maart 2010 is een grote aanpassing aan de Duitse natuurwet Bundesnaturschutzgesetz (BNatSchG) gedaan. De wijziging komt erop neer dat vanaf tien jaar na invoering, dus sinds 1 maart 2020, er alleen nog gebiedseigen bomen en struiken in het Duitse landschap mogen worden aangeplant. Het is sindsdien wettelijk verplicht dat de plantlocatie van bomen of struiken in hetzelfde Vorkommensgebiet (VkG) is als waar het zaad of stek vandaan komt. De grenzen van deze VkG’s volgen deels die van de deelstaten. Voor het grootste deel lopen de grenzen van de ecologische gebieden langs grondsoorten, gebergtes en rivieren. Daardoor ligt bijvoorbeeld deelstaat Saksen in VkG 2 en VkG 3. Beplanting voor het ene gebied mag niet in het andere gebied geplant worden, ook niet in dezelfde deelstaat.
Deelstaten hebben sinds gebiedseigen aanplanten verplicht is een belangrijke taak bij het waarborgen van voldoende zaadgaarden en -opstanden. Immers, als er weinig zaad in een gebied geoogst kan worden, kunnen er ook weinig gebiedseigen gewassen uit worden opgekweekt. Dat was in aanloop naar ingangsdatum 1 maart 2020 exact het geval. In het najaar van 2019 zei Niels Sommer, portefeuillehouder productie en omgeving bij Bund deutscher Baumschulen (BdB), in De Boomkwekerij dat het hem een doorn in het oog was dat deelstaten niet meer oogstlocaties voor gebiedseigen zaden gerealiseerd hadden. Dat werd nog bemoeilijkt door het feit dat er geen landelijke criteria voor gebiedseigen zaadbronnen waren vastgesteld.

