Moeten kwekers zich certificeren en voor welk keurmerk kies je dan? Afnemers over ontwikkelingen, ambities en toekomstverwachtingen in de retail.
Binnen tien jaar kopen gemeenten 90% duurzaam geproduceerd in’ of ’Binnen vijf jaar worden alle planten in tuincentra chemievrij gekweekt’. Deze uitspraken zullen veel kwekers wel herkennen. Aan ambities of ideeën ontbreekt het vaak niet en menig certificeringsinstantie is hier gretig op ingesprongen om een keurmerk of certificaat te ontwikkelen dat aan de vraag zou moeten beantwoorden.
Maar in hoeverre vragen afnemers
naar certificering en specifieke keurmerken of geven ze er de voorkeur aan om zelf specifieke eisen te kunnen stellen? Tuinbranche Nederland heeft de eisen van de Nederlandse retail proberen te bundelen in een Ambitie, waar momenteel versie 3.0 van kracht is. En de start wordt gemaakt om tot een Ambitie 4.0 te komen die eind dit jaar wordt gepresenteerd.
Doel van de ambitie is het verduurzamen van de productie en het bundelen van wensen van diverse afnemers, zonder dat er direct de dwang ligt om te certificeren.
„Ik verwacht echter dat hier de komende jaren wel verandering in zal komen en kwekers alsnog tot certificeren over moeten gaan, voor zover ze dat nog niet zijn”, aldus Toon Wurfbain, projectleider duurzaamheid bij Tuinbranche Nederland. „Er komt steeds meer vraag naar transparantie en traceerbaarheid. Digitale registratie is daarbij onmisbaar, maar om het ook inzichtelijk te maken zal certificering op den duur een vereiste worden.”
Wurfbain ziet wel dat in sommige gevallen eerst nog de stap naar digitalisering moet worden gemaakt. „Want dat is in de sierteeltsector nog niet altijd een vanzelfsprekendheid. Maar uiteindelijk zullen kwekers van digitaliseren via registreren naar certificeren gaan.”
Opstap
Elise Wieringa van Royal Lemkes verwacht dat het daarmee niet ophoudt. „Je merkt nu dat de vraag naar certificeren plaats maakt voor dwang, en uiteindelijk zal certificering zoals in een MPS-ABC gebeurt de eerste opstap zijn naar een ProductProof of Gap.”
Met name deze laatste is in de voedselproductie al min of meer de standaard en Wieringa verwacht dat de sierteelt dat voorbeeld zal volgen. „Al is het alleen al omdat FSI een dergelijke certificering eist.
Of kwekers met zo’n keurmerk voldoen aan de specifieke gewasbeschermingsmiddeleneisen die de retail soms stelt, moet volgens Wieringa los van elkaar worden gezien. „Deze specifieke eisen betreffen alleen middeltjes en als Lemkes zien we ook dat deze eisen per retailer kunnen verschillen. Dat is niet in een keurmerk te vatten. Bovendien gaat certificeren veel breder dan alleen middeltjes.”
Milieukundige impact
Naast het certificeren, doen kwekers er goed aan naar hun footprint te gaan kijken, meent Wieringa. „Niet per se omdat afnemers dit willen of vragen, maar in eerste instantie om zelf inzicht te krijgen in de milieu-impact die de productie van je product heeft. Omdat je daadwerkelijk ziet wat je doet en beter kan analyseren wat je anders of beter zou kunnen doen. Omdat het beter is voor het milieu, maar ook omdat je daarmee kosten kan besparen. Soms vereist dat eerst een investering, maar vaak blijkt dat je door het berekenen van je footprint makkelijk laaghangend fruit kan pikken en tot kostenbesparing kan komen omdat je energie bespaart. Dat kost minder en het vermindert je milieu-impact.”
Momenteel wordt er door diverse partijen ook samen gewerkt aan het ontwikkelen van de milieulast-indicator. Deze zou in ieder geval op het gebied van gewasbescherming kwekers beter zicht moeten geven op de milieu-impact van gewasbescherming. ”Dan wordt er niet meer gekeken naar kilo’s gespoten werkzame stof, maar de invloed die het totaalplaatje van een bestrijdingen tijdens de teelt op het milieu heeft. Een dergelijke indicator zou uiteindelijk wel eens bepalend kunnen worden voor de eisen van de retail in plaats van dat er gekeken wordt naar het gebruik van specifieke middelen”, verwacht Wurfbain.
Eigen verantwoordelijkheid
Er wordt vaak gezegd dat de teelt moet verduurzamen en dat de sector verduurzaamt. Als excuus waarom het langzamer gaat dan verwacht, wordt vervolgens het gebrek aan vraag uit de markt genoemd. Want als het niet gevraagd wordt, of als het niet betaald wordt, blijkt de motivatie tot verduurzaming toch beperkt.
Wieringa vindt dat een raar excuus. De drang om duurzaam te produceren zou vanuit kwekers zelf moeten komen. Net zoals ze het ook oneigenlijk vindt dat kwekers alleen bij controles vanuit afnemers of certificering bladmonsters laten nemen. „Een auto laat je ook niet alleen controleren voor de APK, maar die geef je tussendoor ook regelmatig een servicebeurt. Feitelijk moet je monstername, of het aantonen van je duurzame werkwijze niet anders zien. Je moet niet wachten tot iemand eist dat er gecontroleerd wordt, je hebt zelf ook de verantwoordelijkheid om het te onderhouden. Dus laat af en toe bladmonsters nemen en analyseer wat erin zit. Bij vragen van afnemers sta je dan ook sterker in je schoenen en kom je niet voor verrassingen te staan.”
FSI2020
In het platform FSI (Floriculture Sustainibility Initiative) werken kwekers, handel, retail, Royal FloraHolland, brancheorganisaties, certificeringsinstellingen en maatschappelijke organisaties (ngo’s) samen aan een duurzame internationale sierteeltsector. De ambitie is om in 2020 90% van de internationaal verhandelde bloemen en planten door FSI-leden duurzaam geproduceerd en verhandeld te hebben. In 2018 werd de grens van 50% gepasseerd. Of de 90% gehaald wordt dit jaar is momenteel nog onduidelijk, mede omdat door corona het certificeringsproces bij bedrijven vertraging heeft opgelopen.
Vanaf 2013 probeert FSI het aantal bestaande duurzame keurmerken te stroomlijnen. Veertien van circa vijftig keurmerken vielen in het zogenaamde ’FSI-mandje’ onderverdeeld in sociale en milieukeurmerken of een combi. Stuk voor stuk labels die voldoen aan nationale en internationale wetgeving en die betrouwbaar en transparant zijn. Ze worden door onafhankelijke organisaties gecontroleerd en geaccrediteerd. Nederlandse telers voldoen tot 2020 aan de FSI-doelstelling als ze MPS-GAP, Global-GAP of biologisch gecertificeerd zijn.
PlanetProof is niet gebenchmarkt voor FSI. PlanetProof is wel gebenchmarkt voor FSA, Farm Sustainability Assessment. Een vergelijkbaar internationaal initiatief als FSI, maar dan meer op de agrarische sector gericht. FSI lijkt vooralsnog in de retail voor planten meer bekendheid te genieten dan FSA.

