Afgelopen zondag sloot Keukenhof dat dit jaar het 75-jarig bestaan vierde, onder andere met een overzichtstentoonstelling in het Julianapaviljoen. Ruim 1,4 miljoen mensen bezochten het park. Mede dankzij de Lissese lentetuin is de tulp uitgegroeid tot een wereldwijd icoon. Maar in hoeverre heeft het park ook bijgedragen aan de ontwikkeling van de Nederlandse tuin?
Als ik terugdenk aan de tuin bij mijn ouderlijk huis in de jaren ’70 zie ik grindtegels en bielzen, en borders vol bloeiende tulpen. De tegels en bielzen zijn uiteraard te danken aan Mien Ruys, die andere icoon van de Nederlandse tuincultuur die dit jaar een jubileum viert. De tulpen werden ieder najaar plichtsgetrouw aangeplant door mijn vader.
Na ruim vijftig jaar zijn de grindtegels en bielzen uit de meeste Nederlandse tuinen verdwenen. Bollen worden echter in menig tuin nog ieder jaar aangeplant. In plaats van de traditionele langstelige tulpen zien we steeds vaker botanische soorten, en ook boshyacinten en anemonen tussen de vaste planten. Voordeel is dat deze bollen niet jaarlijks vervangen hoeven te worden, maar meerdere jaren blijven terugkomen in de tuin.

