Eind februari. „Hallo, ik bel voor het snoeien van de klimop in de achtertuin.” „Oh, moest dat dan?” „Ja, dat hadden we in het najaar afgesproken.” „Ja, dat is zo, maar het komt niet goed uit want mijn man is heel erg ziek. Hij zit in het laatste traject.” „Daar schrik ik van. Dan wens ik jullie heel veel sterkte, en die tuin kan over een jaar ook wel.”
Een paar dagen later was ik op het hofje een andere klus aan het doen, en gooide de kaart die ik had meegenomen in de brievenbus. Toen mevrouw de kaart vond, kwam ze even naar me toe lopen om te bedanken. Haar voortuin, vol met afgestorven loof van siergrassen en vaste planten, zag er doods uit. De bolletjes wilden er doorheen piepen, maar dat lukte nog niet helemaal.
Al snel werd duidelijk dat ze het toch wel fijn zou vinden als we de voortuin mee konden nemen. Na me verzekerd te hebben dat het echt niet storend was, hebben we alles meteen gedaan. Ik zag een huisarts, mensen van de palliatieve zorg en een dochter in- en uitlopen.

